II. Middeleeuws aardewerk

Want create site? Find Free WordPress Themes and plugins.

2.1. Aardewerk - de klei

Robert Toussaint, Poperinge

In de Westhoek kende men eerst overwegend grijs gereduceerd vaatwerk en daarna bruin of roodbruin gebakken aardewerk. Klei was er massaal aanwezig, meestal het gevolg van overstromingen. De kleur wordt bepaald door de kleisoort uit die streek. De pottenbakkers zochten geschikte klei in de omgeving van het dorp en gebruikten geel-beige klei die bevatte zeer weinig koolstof in vergelijking met de klei die er gebruikt werd voor het vervaardigen van bakstenen. ( zie bakstenen). Daarvoor ging men dieper graven en trof men een donkergrijze klei (leem) aan die meer verontreinigende stoffen (vooral koolstof) bevatte. Vroeger werd deze klei ook gebruikt voor het bakken van ongeglazuurd aardewerk.

Het grijze en rode aardewerk wordt van dezelfde klei gemaakt. Als je het in de oven zonder zuurstof bakt, wordt het grijs. Voeg je wel zuurstof (lucht) toe in de oven, dan oxydeert de klei en varieert de kleur van lichtbruin, beige, fel rood tot oranje.

In Vlaanderen werd de klei ter plaatse gedolven en door de pottenbakker op kleine hoopjes geworpen, hij liet dan de klei liggen zodat die kon uitwinteren. Grotendeels was de klei dan gezuiverd van organische stoffen en plantenresten. Nadien werd de klei meestal ondergebracht onder een afdak waar het werd bedekt met natte zakken. Door het ’s avonds regelmatig te begieten met water werd het vochtig gehouden.

De eerste bewerking daarna was de klei kneden, dit gebeurde meestal met de blote voeten. Dit was wel nodig om de magere en vette bestanddelen van de klei gelijkmatig te verdelen. Sommige pottenbakkers vermengden hun klei met een flinke hoeveelheid stro. Dit was noodzakelijk om de klei steviger te maken en om te voorkomen dat de potten tijdens het drogen zouden barsten.

Vrijwel in elk dorp van enige omvang was een pottenbakker aan het werk en het beroep werd over het algemeen van vader op zoon aangeleerd. Hij bezat een kleine oven en een draaischijf, die in het begin uiterst eenvoudig was en slechts bestond uit een draaiend vlak maar al snel voorzien werd van een pedaal dat door de pottenbakker zelf werd bediend.

Vanaf de 18e eeuw werd het kneden van de klei met de blote voeten vervangen door een kleimolen, voort bewogen door een paard of een ezel. In een verticaal opgestelde cilinder, waarin om een as rieken en messen ronddraaien werd de klei geworpen.

Ongeglazuurd aardewerk (De collectie Robert Toussaint, Poperinge)

Sedert het neolithicum werd in onze gewesten ongeglazuurd aardewerk vervaardigd. De waren hoofdzakelijk poreus gevormde stukken gebakken in ovens aan zeer lage temperatuur.

Kruik, bolvormig lichaam op platte voet, grijze scherf, onversierd. Vlaanderen, 14e eeuw. Hoogte 26 cm.

Geglazuurd aardewerk

Vanaf de tweede helft van de 13e eeuw verschijnt voor het eerst het rood oxiderend gebakken aardewerk en wint in de loop van de 14e eeuw geleidelijk veld ten nadele van het ongeglazuurd aardewerk. Het vervangen van het blauwgrijs aardewerk door rood aardewerk gebeurt geleidelijk, maar vanaf de tweede helft van de 14e eeuw begon men wegens de poreusheid van het ongeglazuurd aardewerk, dit rood oxiderend gebakken aardewerk met een laagje loodglazuur te bedekken waardoor het waterdicht kon worden gemaakt. In de middeleeuwse keuken was aardewerk onmisbaar geworden. Het diende als drinkgerei, om erin te koken en om vloeistoffen en vaste ingrediënten erin te bewaren.

Loodglazuur

Loodglazuur is licht doorzichtig of kleurloos en is in Europa het oudst bekende glazuur. Het werd reeds in de 12e eeuw geproduceerd, maar pas in de 13e en 14e eeuw werd het op zeer spaarzame wijze bij het pottenbakken gebruikt. Daarom zie je zeer vaak dat alleen de binnenzijde van de pot geglazuurd is. Aan de buitenkant is het niet echt nodig maar komt toch soms voor als versiering. Het is een mengsel van een poeder dat zijn naam dankt aan het aanwezige loodoxide en kwartszand. Het is een soort pasta dat met een dun laagje aangebracht wordt op het in klei gevormde baksel. Het is transparant kan door bijmenging van andere metaaloxyden licht nagekleurd worden. Wanneer er mangaanoxide toegevoegd wordt, krijgt het aardewerk een paarse tot zwarte tint, bij koperoxide een mooie groene kleur. In de eerste helft van de 16e eeuw was het ongeglazuurd aardewerk grotendeels verdwenen, ontwikkelde de kunst van glazuren zich snel en werd de dompeltechniek toegepast. Bij deze techniek werd het aardewerk ondergedompeld in de engobe.

Dit glazuur vormt dan een isolerende laag wat het reinigen vergemakkelijkte en de slijtage verminderde. De in ons land gevonden klei verdraagt geen hoge temperaturen, terwijl voor het glazuren, als je het waterdicht wil maken er juist wel een grote hitte nodig is.

Ringeloortechniek - Slibversiering

Ringeloortechniek bestond uit het opbrengen van een versiering van wit slib op een nog ongebakken stuk scherf of tegel. De slibversiering, gekleurde vloeibare slib, ook “engobe” genoemd, werd voor het bakken op de scherf aangebracht als versiering en diende om aan het voorwerp een andere kleur te geven dan deze van de scherf. Om de monotone grondkleur te breken werd gebruik gemaakt van witbakkende pijpaarde, die als een papachtige massa werd verwerkt. Deze witbakkende pijpaarde van fijne structuur werd aangetroffen in de omgeving van Doornik en verder in Andenne (bij Namen). De bekendste vorm van een ringeloor is de koehoorn, hiermee werden eenvoudige versieringen, figuren met witte kleislib, het zgn. ‘letteren’ of ringeloren op het baksel aangebracht.

Dit gebeurde met een uitgeholde koehoorn, waarvan de punt was afgeslepen en in de opening werd een afgeschuinde rietstengel geschoven. Later werden ook ringeloren gebruikt van gebakken klei.

De pottenbakker diende op dezelfde manier te werk te gaan zoals een pasteibakker. De witte klei kreeg onder het glazuren een gelige teint. Deze techniek werd ringeloren genoemd.

Tinglazuur

Vanuit het Oosten is het tinglazuur via de Arabieren, eerst in Spanje en nadien in Italië bekend geraakt. Daar ontstond een levendige handel van deze produkten via het eiland Mallorca. Vandaar de naam majolica”. Dit aardewerk bedekt met tinglazuur noemt men plateel of faience en dankt zijn naam aan het aanwezige tinoxyde. Het is een ondoorzichtig, wit glazuur, dat aangebracht werd op majolica en faience tegels, eetborden en schotels en werd sedert de renaissance in de Lage Landen steeds in groter aantal werd vervaardigd. Het is eigenlijk een techniek waarbij je fraaie kleuren kan aanbrengen die bestaan uit blauw, geel tot oranje of bruin, groen en paars. Het is waterdicht en op de ondoorzichtige witte tin glazuurlaag werd meestal een motief aangebracht.

Sgraffito-techniek of slib-krastechniek

Deze techniek (13e eeuw) loopt samen met die van de inlegtegels. Op de gebakken scherf werd een deklaag van lichtgebrande witte klei “engobe of slib” aangebracht, in die deklaag werden figuren uitgekrast, waardoor de ondergrond weer zichtbaar werd. Daarna werd de scherf met doorschijnend loodglazuur bedekt. Bijna overal ter wereld is deze versieringswijze in zwang geweest waarbij men voor die vervaardiging van loodglazuuraardewerk engobes gebruikte. Deze techniek staat bekend onder de naam sgraffitto.

                                                                                                                                                                                                                                                                                                                   Robert Toussaint, Poperinge

2.2. Bakstenen

Robert Toussaint, Poperinge

Het vormen en bakken van bakstenen was reeds door de Romeinen gekend, en de kennis werd door hen over heel het Romeinse Rijk verspreid. Zij gebruikten meestal vette klei met een laag zandgehalte. Daarom moest de steen zo dun mogelijk zijn. In Trier bevatten de muren van de Gallo-Romeinse muur evenveel mortel als baksteen. Maar na de val van Rome geraakte de techniek grotendeels verloren en is er over de geschiedenis van een eventuele baksteenproductie weinig bekend. Het dichtbevolkte Graafschap Vlaanderen, dat niet over natuursteen beschikte, was één van de eerste regio’s in de 12e eeuw om baksteen en dakpannen opnieuw aan te wenden voor de bouw van kerken en abdijen. De middeleeuwse steenbakkers gebruikten geen vette klei, maar leem. Leem (grof korrelige klei) is gemakkelijker te drogen. Bakstenen van leem zijn poreuze stenen meestal goed vorstbestendig, doch de steen is moeilijker te vormen waardoor hij vrij onregelmatige van vorm is.

Al vóór 1200 werden er reeds in Vlaanderen verschillende steenbakkerijen uitgebaat. Reeds in de 13e eeuw werden miljoenen bakkenstenen via het water o.a. vanuit Nieuwpoort en Calais naar Engeland verscheept. Later werden er zelfs bakstenen in de Baltische gebieden verkocht. De oudste bakstenen gebouwen uit die tijd dateren van omstreeks 1200. Voorbeelden hiervan vinden wij in Brugge, de geveltoren van de Sint-Salvatorkerk (1220) en de toren van Varsenare (1220). Twintig jaar later verschenen de eerste waterputten, rioleringen en bruggen in baksteen. Hoewel door de kerk de baksteen aanvankelijk als een minderwaardig bouwmateriaal werd beschouwd zijn de eerste baksteenbouwers of steenbakkers de kloosterorden geweest. De Cisterciënzerabdij te Koksijde (1240), de abdij van Eversam (Stavele) en deze van Lo bouwden hun abdij met zelfgemaakte bakstenen (Brugse moefen). Ook de abdij Onze-Lieve-Vrouw ter Nieuwe Plant, in de volksmond “de Roesbrugse Dames” werd met dezelfde bakstenen gebouwd. Afmetingen: ca. 280 x 150 x 8 cm, de kleur is overwegend geel. Nog in dezelfde eeuw werden de eerste stadsversterkingen en openbare gebouwen in baksteen opgetrokken.

Maar de grote doorbraak van de baksteennijverheid kwam er vanaf de middeleeuwen in de 14e eeuw. De vroegste bakstenen verdwenen en de Brugse moef nam de overhand. Onmeetbare hoeveelheden klei werden uitgegraven, gevormd, gedroogd, gebakken en verwerkt. Het steenformaat werd steeds kleiner en de steden waren genoodzaakt een normalisatie in te voeren.

In de 16e eeuw gaf de kleinijverheid vorm aan het uitzicht van de bakstenen gebouwen in onze steden en dorpen. Het baksteenformaat krimpt tot ongeveer 217 x 102 x 7 cm. De kleur van Brugse moefen is overwegend geel met grijs-gele en soms groene nuances. De mensen wilden vanaf dan onbrandbare stenen voor hun huizen in plaats van houten en lemen huizen.


Schilderij van Romain de Girart de Roussillon, Zuidelijk Nederlanden, ca. 1448.
Wenen, Oostenrijks Nationaalbibliotheek. Een “metserdiender” maakt mortel, stenen en mortel worden aangebracht, metselaars bouwen een muur op.

 

De veldoven

Eeuwenlang is de baksteenindustrie een seizoensgebonden bedrijf geweest. Begin oktober begon men met het uitgraven van de klei. Het delven geschiedde trapsgewijs. Men gebruikte hiervoor steekschuppen (rechte spaden) en met kruiwagens werd de klei uit de put gevoerd. Afhankelijk van de hoeveelheid stenen die er in de steenbakkerij gemaakt werden, werkte men in twee ploegen. Elke ploeg bestond uit de helft stekers en de andere helft kruiers. De volle kruiwagens werden zonder ze neer te zetten aan elkaar doorgeven.

De afgestoken klei werd naar de steenbakkerij gebracht, hetzij met de kruiwagen, hetzij met paard en kar naar gelang de afstand van de kleiput naar de steenbakkerij. Of er werd ter plaatste een veldoven opgebouwd.

Op het erf (meestal van de steenbakkerij) werd de klei daarna met water overgoten en alle steentjes, keien en andere onzuiverheden verwijderd. Nadien werd de klei op kleine hoopjes geworpen zodat die na uitwinteren grotendeels was gezuiverd van organische stoffen en plantenresten.

illustratie
XIX eeuwse gravure van E.Bure.

Eind maart begin april werd de klei bewerkt en met zavel en water vermengd tot een plastische massa voordat men met het vormen van de steen begon.

Eeuwenlang werden de bakstenen op een ambachtelijke wijze gevormd in rechthoekige beukenhouten vormraampjes zonder bodem, 10 à 20% groter dan de afmeting van de gewenste baksteen, daar die bij het drogen 10 tot 20% konden krimpen. Er waren altijd verschillende steenvormen in omloop. De steenmaker stond aan een lange rechthoekige werktafel. Naast of soms op de werktafel stond een waterbak en een bak gevuld met fijn droog zeezand (rijnzand). Droog zand was onmisbaar om te beletten dat de klei niet aan de vorm zou kleven. Een steenmakersploeg bestond uit ca. 4 à 5 personen: de steenmaker met 2 of 3 afdraagsters (of afdragers) en een persoon die ervoor moest zorgen dat de werktafel van klei voorzien was en dat de water- en zandbak tijdig werd bijgevuld. De gemiddelde leeftijd van de afdraagsters (of afdragers) was vóór de Eerste Wereldoorlog tussen 12- en 14 jaar, later een paar jaar ouder.


Ca.1900. Op de voorgrond: een viertal kleidelvers. In het midden: een steenmaker met rechts van hem twee afdragers met hun dubbele houten vormraampjes onder de arm. In de achtergrond zie je een lange rij opeen gestapelde stenen staan. Foto Roesbrugge: Gérard Porreye-Luyssen, Proven.

Eerst werd het vormraampje in de waterbak gedompeld en daarna met fijn droog zand bestrooid. Daarna werd door de steenmaker een klomp klei met de blote handen in de vorm gedrukt en glad gestreken. Door de afdraagsters (of afdragers) werden de natte stenen een eind verder, meestal barvoets of in hun klompen naar de droogloodsen gebracht. Daar werd de natte steen voorzichtig uit het vormraampje geduwd en netjes in een lange rij op 2-3 cm van elkaar gelegd en vandaar terug naar de werktafel. In het zomerseizoen bestond een werkdag uit 14 uur, zonder rekening te houden met het feit dat men soms een uur of meer moest stappen vooraleer thuis te geraken. Wanneer men spreekt van hard labeur, dat was hard labeur. Van veel vrije tijd was geen sprake. Na twee of drie dagen gedroogd te hebben, naar gelang het weer, moest men ze optrekken. Dat betekend dat de gedroogde stenen op hun smalle kant gesteld moesten worden, zodat de beide grote vlakken konden drogen. En dat was kinderarbeid. Enkele dagen later gebeurde net hetzelfde, nu moesten de stenen omgekeerd worden om de onderkant te laten drogen. Nadien werden de hard geworden stenen in lange rijen opeengestapeld ongeveer twintig lagen hoog.


Het binnenvoeren en opstapelen in hagen, was gammen. Met bakwagens weer de gezuiverde en geknede klei tot bij de steenmaker gebracht. Op de voorgrond zien we de natte stenen netjes in een lange rij op 2-3 cm van elkaar te drogen liggen. Links de steenmaker met rechts van hem twee afdragers. Op de achtergrond een lange rij afgedekte stenen te drogen staan.( Foto Roesbrugge, 1931: Gérard Porreye-Luyssen, Proven).

Bij regen werden de rijen afgedekt. Afhankelijk van de weersomstandigheden hadden de stenen drie tot vijf weken nodig om te drogen. Daarna werden de stenen meestal op een open kruiwagen gelegd, met een verticale hoge voorwand zonder zijborden om een eind verder in twee dikke lange muren van achttien tot vijfentwintig stenen hoog opgestapeld te worden.

Een veldoven was een groot rechthoekig bouwwerk zonder schoorsteen.


De gedroogde stenen werden op open kruiwagens gelegd, met een verticale hoge voorwand zonder zijborden en naar de oven gevoerd. ( Foto Roesbrugge, 1931: Gérard Porreye-Luyssen, Proven).

Eeuwenlang werden er bakstenen in gebakken. Tussen de stapelgangen liep een stookgang. Deze werd opgevuld met elzenhout en met hard hout afkomstig van hagen die werden gekuist of met kolen. Aan de onderzijde van de muren zaten openingen waardoor het stookvuur enkele dagen gevoed kon worden. De korte zijde werd gebruikt om de oven te vullen. Wanneer het vuur boven de oven gekomen was werden de lagen met nieuwe lagen aangevuld. Bij oververhitting gebeurde het dat de onderste laag stenen aaneen gesmolten waren en verglaasden. Die stenen noemden ze padden, dat waren harde stenen die hoogstens konden dienen voor fundaties bij huizen- of fabrieksbouw.

Het stapelen, stoken, afkoelen en leeghalen duurde ongeveer drie weken, soms langer naar gelang de weersomstandigheden.

In Roesbrugge-Haringe waren er nog vóór de Eerste Wereldoorlog vijf steenbakkerijen verspreid over het dorp.


De gebakken stenen werden op wagens weggevoerd naar handelaars in bouwstoffen. Andere werden op karren en wagen geladen om vanaf de kaai van Roesbrugge verscheept te worden. (Foto Roesbrugge, 1931: Gérard Porreye-Luyssen).

Op het platteland bleven de veldovens nog lang bestaan naast de gemechaniseerde steenbakkerijen tot kort na de Tweede Wereldoorlog.

                                                                                                                                                                                                                                                                                                                            Robert Toussaint, Poperinge

2.3. Steen- en pottenbakkers, Roesbrugge

Een kort overzicht                                                                                                                                                                                                                                                                            Robert Toussaint, Poperinge

 

1101494891

Roesbrugge-Haringe, samen met de Beveren-Kalsijde, waarmee ze één geheel vormt, is vroeger een bloeiend en nijverig (bedrijvig) dorp geweest. Door haar gunstige ligging op het kruispunt van de weg Ieper-Duinkerke (de “groote calchiede”) en de IJzer was

Roesbrugge als het ware uitverkoren om als handelscentrum te bloeien. Er was zelfs een koninklijke posterij, telkens verwisselde men hier de paarden. Alles wat men in de steden aan ambachten kon vinden, vond men in Roesbrugge. Hier stonden huizen zoals in de grote steden, de arme mensen waren beter gekleed dan deze uit de stad. Roesbrugge was als “terminushaven” via zijn waterweg verbonden met Lo, Veurne, Diksmuide, Nieuwpoort, Oostende, Brugge, Gent, enz… Al in de 13e eeuw werd het gedeelte van de IJzer tot net voor het dorp van Roesbrugge gekanaliseerd. Hierdoor ontstond er een oude arm, nu de “Dode IJzer” genoemd. Het boogbruggetje over de Dode IJzer fungeerde daarna enkel nog als keerpunt zodat de schepen achterwaarts onder het bruggetje doorvoeren en zo konden draaien.

De economische bedrijvigheid in Roesbrugge-Haringe kende wellicht haar hoogtepunt op het einde van de 18e eeuw met de aanwezigheid van een papiermolen (enig in West-Vlaanderen), een lakenblekerij, blauwweverij, een azijnstokerij, een zoutziederij, verschillende oliestamperijen, steenbakkerijen (Cousyn) en op “d’Hoge Seine” (Philip Trioen), een pannenfabriek (Jean-Baptiste Boucry - Haringe), een kleipijpenmakerij (Thomas d’Ooghe), een tegel- en pottenbakkerij (Michel Verhaeghe en Jean Baptiste Ameloot) en op “de meulewalle”, Pierre Guyson (Pierre de pijpebakker) getrouwd met Thomas d’Ooghe’s dochter, pijpenmaker die na de brand van Roesbrugge in 1793 naar Poperinge verhuisde.

Dan waren er nog verschillende steenbakkerijen, één dakpannenbakkerij en een fabriekje van draineerbuizen. Het steenbakken was oorspronkelijk een nevenactiviteit van de landbouwers dat gebeurde in plaatselijke veldovens en zal tot laat in de 19e eeuw begin de 20ste eeuw zijn agrarisch karakter bewaren. De steenbakkerijnijverheid op de “Hoge Seine” gaat terug tot in de eerste helft van de 17e eeuw. Ettelijke generaties steenmakers hebben daar onmeetbare hoeveelheden klei uitgegraven, gevormd, gedroogd, gebakken en verwerkt in gebouwen. De huisjes van de werknemers van de steenbakkerij stonden op de “Puythouck” (Zuidstraat) en werden door de eigenaar van de steenbakkerij gebouwd op grond die eigendom was van de kerk van Beveren. Vóór de huisjes lagen de kleiputten, waarschijnlijk vol met kikkers, vandaar nog steeds de naam “de Puydereke”. De steenbakkerij was in 1680 eigendom van de familie Trioen.

In de 18e eeuw werd de steenbakkerij nog een tijd lang uitgebaat door Pierre Laurent Trioen gehuwd ca.1730 met Marie Françoise Neuwe. Zij hadden een zoon en een dochter Marie Christine, geboren in 1760 te Beveren aan de IJzer en overleden op 7 mei 1833 te Oost-Cappel, gehuwd met Charles Josephus Figoureux. Midden de tweede helft van de 18e eeuw waren de uitbaters Michel Verhaeghe-Flahauw en Jean Baptiste Ameloot. Perioden van bloei wisselden af met perioden van verval. Wanneer er een eind kwam aan het stenen en potten bakken op de “Hoge Seine” heb ik nergens kunnen terug vinden, maar in 1792 waren dezelfde eigenaars Michel Verhaeghe en Jean Baptiste Ameloot de uitbaters van de pottenbakkerij gelegen op de rechteroever van de IJzer op de kaai van Roesbrugge.

De kaai aan de IJzer, Roesbrugge.

De kleiputten waren gelegen achter het kerkhof van Roesbrugge. Tijdens de Franse Revolutie bij de brand van Roesbrugge op 18 september 1793 ging de “potterie à terre” samen met de papiermolen in de vlammen op. Er werkten 5 man. De klei werd er gekneed met een paardenmolen. De opbrengst betrof hier vooral pottenbakkerij in dienst van de landbouw, die verkocht werd op markten en in de winkels in de omliggende gemeenten.

Vóór de Eerste Wereldoorlog (1914-18) waren er in Roesbrugge nog vijf steenbakkerijen. De oudste was gelegen in de Watoustraat (nu Moenaardestraat) te Roesbrugge-Haringe en de klei werd gewonnen uit kleiputten gelegen achter de wijk “Haandekot” in Haringe. Of het om de draineerbuizen- en de pannenbakkerij van Jean Baptiste Boucry ging durf ik niet zeggen. De draineerbakkerij van Boucry was in 1790 gelegen in de Watoustraat (nu Moenaardestraat) te Haringe, recht tegenover de herberg “In de Brijkerij”.

Een tweede bevond zich in de Krombekestraat en behoorde toe aan Jérôme Leroy (1873-1918), landbouwer in de Oosthoek. De derde was gelegen in de huidige J.Gheysenstraat, rechtover de herberg “In de Briekerij”, en was eigendom van de familie Verhaeghe. De vierde lag op het gehucht “de Molenwal” waarvan de kleiputten gelegen waren recht tegenover de herberg “A la Briqueterie” in Roesbrugge en die werd uitgebaat door Désire Camerlynck-Debruyn. Hij was eveneens bezitter van een steenbakkerij en een windmolen in Proven en werd opgevolgd door zijn zoon Pamphile Camerlynck-Pyckewaert. Nog tijdens de Eerste Wereldoorlog verdween de steenbakkerij van Camille Ruyssen (1872-1928), waarvan de kleiputten eveneens gelegen waren achter het kerkhof van Roesbrugge.


De steenbakkerij van de familie Camerlynck. Bakstenen werden op karren geladen en verkocht.
Leve de briekebranders 1931 - Bij P. Camerlynck Roesbrugge. (Foto’s Roesbrugge, 1931: Gérard Porreye-Luyssen).

                                                                                                                                                                                                                                                                                                                       Robert Toussaint, Poperinge

2.4. Dakpannen

Robert Toussaint, Poperinge

Een tegulae (tegel) was oorspronkelijk een Romeinse dakpan, rechthoekig van vorm en diende als onderpan. In de Lage Landen is het woord dan ook pas in gebruik gekomen op het ogenblik dat dakpannen (=tegels) als dakbedekking werden aangewend. Toch gebeurde dit al heel vroeg in onze streek.

In Haringe (Poperinge) bvb. kwamen op verschillende plaatsen Romeinse dakpannen aan het licht. In de zomer van 1976, bij restauratiewerken aan de kerk werd er een crypte ontdekt, waarrond fragmenten van Romeinse dakpannen werden gevonden. Het jaar daarop en gefascineerd door al die ongewone vondsten, bemerkte Remi Delerue, een attente wandelaar, dat op een akker, weliswaar aan de rand van de Heidebeek, soortelijke dakpanfragmenten voor het rapen lagen.

Deze stukken zijn blijkbaar de jongste jaren aan de oppervlakte gekomen omdat er tegenwoordig dieper omgeploegd wordt. Ook in de Montefoulstraat, op ongeveer één kilometer van de Heidebeek, werden eveneens fragmenten van Romeinse dakpannen gevonden. Of deze nu naar Haringe, via de Heidebeek werden aangevoerd of langs de Heidebeek werden geproduceerd, over concrete bewijzen van een eventuele productieplaats waar deze Romeinse dakpannen vervaardigd werden beschikken wij niet. Verder archeologisch onderzoek zou meer duidelijkheid moeten brengen. Maar alles is mogelijk! Langs de Heidebeek was niet alleen goede klei voorhanden (tertiaire Ieperiaanse klei), maar was er ook voldoende water voor een dakpannenproductie!

Reconstructietekening van een Romeins dak. De ronde Romeinse dakpannen ( = imbrices) werden telkens over de opstaande boorden gelegd van de platte dakpannen (tegulae). Tegels worden, zoals leien, in dubbel dekking gelegd, zodat maar een derde van de tegel zichtbaar blijf. Aan de achterkant van de tegel is bovenaan een nok of neusje waarmee hij aan de daklat opgehangen wordt.

Wat er met de daktegels (dakpannen) gebeurde na de val van het Romeinse rijk is weinig bekend. Pas in het begin van de 13e en 14e eeuw kende de productie van de daktegels (dakpannen) een grote bloei. Dit gebeurde o.a. omdat de meeste stadsbesturen verordeningen uitvaardigden i.v.m. het vervangen van strodaken door daken met daktegels.

Het waren langwerpige holle pannen naast elkaar gelegd en de naden ertussen afgedekt met de bolle pannen. Soms is er zelfs uitdrukkelijk sprake van onder- en bovenpannen. De bolle bovenpannen worden vaak aangeduid als “paters” en de holle onderpannen als “nonnen”. De oudste vermelding wordt aangetroffen in een oorkonde van Graaf Ferrand van Portugal aan de gemeente Aardenburg in 1232.

Daarna vaardigde de overheid regelmatig verordeningen uit om het brandgevaar te bestrijden. Er werd in een subsidie voorzien, die iedere inwoner kon verkrijgen wanneer hij zijn dak belegde met pannen. Dit gebeurde o.a. in Brugge in 1417 na de grote stadsbranden van 1412 en 1415 toen veel huizen heropgebouwd werden. De subsidieregeling van de derde regel werd ingevoerd, d.w.z. dat degene die zijn huis van dakpannen voorzag, een derde van de onkosten terugbetaald kreeg.

Ook hier in Poperinge werden in 1563 brandpreventiereglementen getroffen en werd de stad genoodzaakt de brandbare daken te bekleden met dakpannen. Dit na drie grote branden (eerder in 1434, 1455 en 1513) die de stad in minder dan een eeuw tijd teisterden. Er werd besloten om de huizen in minder brandbare materialen te laten optrekken en aan degene die hun huizen zouden herstellen of een nieuw zouden bouwen een geldelijke toelage te verlenen. Om zo efficiënt mogelijk te werk te gaan, werd beslist om naar Diksmuide te trekken en er 5 schepen “teghelen” (dakpannen) te kopen.

Nog in datzelfde jaar van de grote brand in 1564 werd een “bryckerie en teghelrie” opgericht in de stad, die door Jacob Van Ackere werd uitgebaat. Zo zien wij dat vanaf de tweede helft van de 16e eeuw er een gevoelige verandering kwam in deze industrie en er niet uitsluitend gebruiksaardewerk werd geproduceerd. De pottenbakkers schakelden over naar het bakken van allerhande bouwmaterialen, zoals dakpannen, bak- en vloerstenen, ten gevolge van de verschillende stadsbranden en de enorme vraag ernaar.

Halfweg de 15e eeuw werden de middeleeuws holle en bolle dakpannen vervangen door S-vormige gebogen pannen, een combinatie van de onder- en bovenpannen. Deze golfvormige (S-vormige) pan is van Vlaamse oorsprong en wordt daarom ook de Vlaamse pan genoemd. De eerste S-vormige gebogen dakpannen komen uit de streek van Sint Niklaas. Achteraf heeft men aan de golfpan allerlei verbeteringen aangebracht om ze een betere dichting tegen regen en sneeuw te geven. Een afbeelding van verscheidene tegelvormen komt voor op hrt schilderij (ca. 1580) van de Duinenabdij te Koksijde door Pieter Pourbus.

Detail uit de geschilderde kaart van de Duinenabdij te Koksijde, in 1580 door Pieter Pourbus (1523-1584), voltooid (Brugge, Groeningemuseum). Afgebeeld zijn twee bakstenen, twee nokpannen, een halfronde afdektegel, een daktegel, een vaneel en een luchtpan.

Ook op een pannendak komen speciale pannen voor: de nokpan voor de nokafdekking, de luchtpan voor de verluchting, de lichtpannen met kleine beglaasde opening die mogen beschouwd worden als de voorlopers van de glazen pannen.

Van links naar rechts.

Een pannenkader van een duim dik, een hollen houten pannenvorm voorzien van een kuiltje en een smalle tegenvorm. Foto genomen in het pottenbakkerijmuseum in Langerwehe.

Voor het vervaardigen van dakpannen bestond de ploeg uit drie personen: de walker, de inslager en de pannenmaker. De walker maakte van fijne klei ronde koeken van voor ongeveer twee pannen. Hij sneed die middendoor en met een nagel aan een korte stok stapelde hij die opeen. De inslager nam een houten of ijzeren rechthoekige kader van ongeveer een duim dik waarin hij zijn halve koek klei plat drukte met een soort deegrol totdat het kader vol was. De pannenmaker nam daarna die plaat klei legde die op een holle houten pannenvorm met een kuiltje (neus) bovenaan. Vervolgens streek hij de klei glad op de ronde rand en vulde de neus (het kuiltje) met wat klei. Hij legde de smalle tegenvorm in de pan, draaide beide vormen om en droeg de pan op de smalle tegenvorm naar het daarvoor bestemd pannenblok (droogrek), schoof zijn gemaakte pan erop en haalde de tegenvorm er onderuit. Pannenblokken waren droogloodsen voorzien van schappen. Daarop bleven de pannen liggen tot ze helemaal droog waren. Achteraf werden de pannen vandaar met speciale zorg en voorzichtigheid op een open pypegoale (kruiwagen) met hoge voorkant voorzien van stro naar de oven gevoerd. In de oven werden ze met alle zorg voorzichtig opgestapeld en gebakken.

Alveringem

In Alveringem (Forthem), waarvan Beveren aan de IJzer een deelgemeente is, werd de pottenbakkerij in 1762 van Pieter-Joos D’acquet omgebouwd tot een pannenfabriek waar de Vlaamse gegolfde dakpannen werden gemaakt. De pannenbakkerij was gelegen langst de Lovaart, richting Oeren, noordelijk Fortem. Rond 1790 verschafte de fabriek werk aan 37 mensen. De dakpannen werden vooral vervaardigd voor Frankrijk. Jaarlijks werden er tweehonderdduizend stuks geproduceerd. In februari 1795 had de dakpannen- en tegelbakkerij nog 25 werknemers en 10 kinderen in dienst. Twee paarden voor de paardenmolen dienden voor het kneden van de klei.

Behalve de dakpannenfabriek omvatte het complex loodsen, werkmanswoningen, een landhuis met omwalling en een geometrische tuin. Alveringem werd dan ook meteen het pannendorp genoemd.

De fabriek werd tijdens de intocht van het Franse republikeinse leger, door het 6e bataljon des fédéres de 1a Seine infirieux in 1793 in brand gestoken.

In oktober 1797 werd de pannenfabriek door de gebroeders Willem en Charles D’acquet heropgericht en opnieuw gestart. Het was in 1836 nog in volle bedrijvigheid. Perioden van bloei wisselden af met perioden van verval. Nadien kreeg de pannennijverheid in Alveringem zware concurrentie en verdween deze ambacht langzamerhand omdat er meer en meer dakpannen in Haringe, Poperinge en het Ieperse werden gemaakt.

In Poperinge was men machinaal beginnen werken, terwijl in Alveringem nog alles handwerk was.

Haringe

Direct nadat de pannenfabriek van Pieter-Joos D’acquet in Forthem (Alveringem) was afgebrand, werd het draineerbuizenfabriekje van Jean Baptiste Boucry (°Haringe, 3/11/1754) in Haringe omgebouwd tot een pannenfabriek die dakpannen is blijven produceren tot na de Eerste-Wereldoorlog. De dakpannenbakkerij was gelegen in de Watoustraat (nu Moenaardestraat) recht tegenover de herberg “In de Briekery” te Haringe.

Poperinge

In 1792 nam Charles Benoit Eugène Lebbe (°1756) getrouwd te Poperinge in 1784 met Anne Catharina Barbara Mavaut (1765-1858) zelf het roer in handen van de pottenbakkerij gelegen op de Kleine Markt (Burg.Bertenplein) en begon naast het vervaardigen van vloertegels en gebruiksaardewerk met het produceren van dakpannen, nokpannen, strovorsten. Hij stelde er 4 arbeiders en 1 kind te werk.

Samen hadden zij vijf kinderen: Dominique César (1784-1836), Philippe Jacques (1786-1849), Barthélemy Bonavenure (1787-1787), Emilienne (1788-1794) en Elisabeth Caroline (1791-1878).

Drie jaar later stierf Charles op 5 november 1795, zijn oudste zoon Dominique was toen pas 11 jaar en zijn zoon Philippe 9 jaar oud.

Anne Catharina Barbara Mavaut zette de productie met haar dienstknechten alleen verder en kreeg van haar moeder Marie Thérèse Beddeheem na het overlijden van haar vader op 30 januari 1796, voor haar tweede huwelijk de pannenfabriek en pottenbakkerij als geschenk. Zij hertrouwde op 1 februari 1796 te Poperinge met Petrus Franciscus Mavaut (°Ieper, 1762). Hij specialiseerde zich hoofdzakelijk in het vervaardigen van dakpannen, nokpannen, strovorsten.

Na het overlijden van haar man, Petrus Franciscus Mavaut op 25 december 1821 te Poperinge, zette zij samen met haar vier zonen en enkele dienstknechten de zaak verder. Haar zoon Franciscus Ferdinandus Mavaut (°Poperinge, 1798) nam in oktober 1829 kort voor zijn huwelijk de pannenfabriek en pottenbakkerij van zijn moeder over. Hij trouwde op 28 oktober 1829 met Rosalia Cécilia Walle (°Poperinge, 1806). Franciscus overleed op de Kleine Markt te Poperinge op 7 januari 1846. Zijn vrouw Rosalia Cecilia Walle zette nog enkele maanden de productie verder tot de pannenfabriek en pottenbakkerij werd verkocht op 30 juni 1846 aan Benédictus Franciscus Dominicus Dupont getrouwd met Régina Eugenia Woutermaertens (1807-1854). Franciscus Dominicus zette de productie van dakpannen, nokpannen, strovorsten verder. Na zijn overlijden op 13 april 1859 werd hij in de pannenfabriek opgevolgd door zijn zoon Eduardus Benédictus Cornelis.

Eduardus Benédictus Cornelis Dupont, op 16 september 1832 te Poperinge, trouwde op 12 september 1862 te Stuivekenskerke met Maria Thérèsia Stroon (°1843). Zij woonden in de Schaelstraat (Casselstraat) in 1886 te Poperinge en hadden samen 10 kinderen. Dakpannen op naam “Eduard Dupont-Stroom” vindt men nog in grote hoeveelheden in Poperinge en omliggende op daken terug. Eduardus Benédictus werd opgevolgd door zijn zoon Camillus in mei 1894. Hij overleed te Poperinge op 27 mei 1902.

Platte dakpannen met roosversiering op het dak van een ovenhuis op de binnenkoer van de brouwerij Van Eecke te Watou, (foto R.Toussaint). Loodglazuurde dakpan met in reliëf een roos, Poperinge, 19e eeuw. Afmetingen: 22,5 x 28,5 cm. Op de achterkant: E.Dupont-Stroom Poperinge. De dakpannen kwamen zowel in donkerbruin en in het zwart op de markt.

Camillus Eduardus Dupont, pottenbakker, geboren op 18 december 1867 te Poperinge, trouwde op 16 september 1893 te Poperinge met Maria Lucia Cornélia Decorte (1866-1950). met Camillus was meer gespecialiseerd in de fabricatie van aardewerk, bloempotten, haardtegels, vloertegels, potgoten, draineerbuizen en muurpannen.

Ook de productie van geglazuurde en ongeglazuurde dakpannen, dakvorsten, ongeglazuurde reducerend grijs en rood gebakken strovorsten ging gewoon verder, nog zeer veel dakpannen zijn er terug te vinden getekend op naam “Dupont-Decorte”. Op 10 november 1929 volgde zijn schoonzoon Louis Clement Arthur Ver Elst hem op. Camillus overleed enkele maanden later op 30 januari 1929 te Poperinge.

Noorbomen: zijn geglazuurde nokpannen voor de afwerking van de rand van twee dakvlakken.In 1922 kostten de noorbomen 1,25 BEF per stuk. Louis Ver Elst beschreef het productieproces. Deze nokpannen warden in het midden 1958 voor de laatste keer vervaardigd door Louis Ver Elst-Dupont voor de woning in de Casselstraat (Robert Toussaint) Poperinge. Ze zijn afwisseld op het dak geplaatst met lood- en koperglazuur.

Louis Clement Arthur Ver Elst (1893-1969) trouwde op 13 november 1928 met Martha Maria Cornélia Dupont (1898-1979). Louis Ver Elst zette de productie verder en werd op 6 juli 1961 opgevolgd door zijn zoon Michel Louis Arthur Ver Eslt (°1932). Michel Ver Eslt trouwde op 10 juli 1961 te Poperinge met Godelieve Isabelle Irma Meersseman (1936-2001). Op de leeftijd van 43 jaar overleed hij op 25 mei 1975 te Poperinge. Daarna werd de productie en de verkoop van dakpannen stopgezet en werd kort nadien de pannenfabriek en pottenbakkerij gesloopt.

Halfweg de 19e eeuw begon een tweede bedrijf zich stilaan te specialiseren in het vervaardigen van dakpannen.

De pottenbakkerij van Philippus Josephus Crousel gelegen in de hoek van de Grote Markt te Poperinge werd door zijn weduwe Isabella Scholastica Debats verkocht op 2 april 1842 aan Maria Thérèse Beheydt (1802-1881), de weduwe van Pieter Joseph Roy (1802-1830) en Pieter Joannes Veniere (1808-1840) en pottenbakster in de vroegere pottenbakkerij van Berat. Door deze aankoop smolten de twee bedrijven samen daar ze naast elkaar gelegen waren op de hoek van de Grote Markt. Enkele jaren nadien op 20 mei 1845 hertrouwde Maria Thérèse Beheydt te Poperinge met Bartholomeus Ludovicus Bortier (1795-1871), weduwnaar van Cornelia Francisca Synaeve (1799-1843). In de pottenbakkerij van Maria Thérèse Beheydt werd niet enkel meer gebruiksaardewerk gebakken, stilaan begon ook dit bedrijf zich te specialiseren in het vervaardigen van dakpannen.

Bijna 40 jaar heeft Maria Thérèse Beheydt de potten- en dakpannenbakkerij op de hoek van de Grote Markt verder gezet. Na haar dood op 5 april 1881 te Poperinge zette haar zoon Petrus Cornelius Roy, geboren op 23 september 1827 (toen bijna 54 jaar) de zaak verder.

Petrus Roy trouwde op 22 september 1857 te Poperinge met Constantia Cornelia Coevoet (1831-1895) en specialiseerde zich vooral in het vervaardigen van dakpannen, dakvorsten, draineerbuizen en vloertegels.

Petrus werkte na het overlijden van zijn vrouw samen met zijn zoon Eduardus Achilles Petrus Roy, geboren op 31 oktober 1865. Het bedrijf werd nog enkele jaren verder gezet. Petrus Roy stierf op 12 juni 1905.

                                                                                                                                                                                                                                                                                                                          Robert Toussaint, Poperinge

2.5. De teloorgang

Robert Toussaint, Poperinge

In het begin van de 19e eeuw ging de pottenbakkerskunst een ernstige teleurgang tegemoet. Alles kwam in een stroomversnelling terecht, het aardewerk dat eeuwenlang in gebruik was als drink- en eetgerei en sinds de middeleeuwen een trage evolutie kende, werd in korte tijd onbruikbaar. Langzaam werd het van de markt verdrongen en vervangen door industrieel geproduceerde metalen potten, ketels en pannen. Die waren in de eerste plaats veel hygiënischer en zeker veel duurzamer en minder breekbaar. Het bakken van kruikjes, tassen, borden, enz… werd genekt. Door de opkomst van koffie en thee veranderden de drinkgewoonten en als drinkgerei kwam glas, porselein en faience meer en meer in trek. Ook als kookgerei verschenen ca.1850 voor het eerst industrieel geproduceerde geëmailleerde ijzeren en gietijzeren potten, vergieten en kommen en kort daarna aluminium kookpotten en pannen. Het aarden vaatwerk werd uit de handel verdrongen. Het bakken van kruiken, potten, kannen, pannen, tassen, enz… werd genekt.

Wat nog een tijdlang zou blijven waren de aardewerken patépotten, melkschotels en bakschalen. Ook het steengoed uit Bouffioulx, Châtelet, Pont-de-Loup bij Charleroi en uit het Rijngebied, die grijs-blauwe en bruine inmaakpotten, boter- en smoutpotten en de steengoed wijn- en likeurkruiken wisten nog de Tweede Wereldoorlog te overleven. Stilaan werden ook deze vervangen door de intocht van de koelkast en de diepvries. Deze grote steengoed inmaak- of bewaarpotten werden achteraf gebruikt voor bloempotten en als tuindecoratie, maar na enkele winters te hebben doorstaan, zijn ook deze stilaan van de aardbol verdwijnen.

Het gleiswerk eind 19e – begin 20ste eeuw.

In rijke gezinnen en bij boeren was het gleiswerk al enige tijd in omloop. Maar bij de welgestelde burger kwam een gleiswerken servies voor 6 of 12 personen pas in bezit op het einde van de 19e- begin de 20ste eeuw. Een mooi voorbeeld hiervan vinden we terug in Reningelst (Poperinge). Het gezin van Benoit Bafcop woonde in de Driegoenstraat te Reningelst en hield herberg “De Boerenhol” open sinds 1888. Een familiefoto uit 1909 laat een oud Vlaams gebruik zien dat niet meer bestaat. Boven de voordeur, achter het bovenlicht zien we allerlei vaatwerk staan in wit porselein of gleiswerk. Toen ik die foto aan mijn grootmoeder toonde wist zij mij te vertellen dat het vroeger de gewoonte was bij familiefeesten of bij een huwelijk het mooi aardewerk of het servies dat men bezat tentoongesteld werd aan het raam ten teken dat men er zich een kon permitteren.

Zij wist mij te vertellen dat men nog na de Eerste Wereldoorlog en zelfs nog later, wanneer er een processie voor de deur voorbij trok men achter het gordijn een Onze-Lieve-Vrouwe beeld of een beeld van de heilige familie plaatste met langs beide zijden een brandende kaars. Achter dat beeld stond op een tafel hun servies te pronken als bewijs dat ook zij er één hadden en dat men het gleiswerk dat men bezat gebruikte het om er de tafel mee te versieren en in hun beste pronkkast uit te stallen.

Verder vertelde zij mij dat ze kort na de Eerste-Wereldoorlog, wanneer zij bij mensen of familie (oom en tante) op bezoek ging en de gang van de voordeur tot de woonplaats voorbij liep, de deur van de voorplaats wijd openstond. Daar stond over het algemeen een kast waarvan de houten deuren vervangen waren door glazen deuren (dat was toen in de mode). Achter het glas stond hun servies opgesteld, gebruikt werd het zelden. Het stond er alleen te pronken.

Het aardewerk verdween bij de welgestelde burger en bij de boeren in onze streek op het einde van de 19e eeuw om plaats te maken voor het porseleinen vaatwerk. Bij de gewone burger gebeurde dat pas na de Eerste Wereldoorlog. Zelfs midden de 20ste eeuw was er nog aardewerk in gebruik bij de armoedige bevolking, o.a. broodschalen, bakschalen, vergieten en roomschotels.

2.6. Bronnen, literatuur : aardewerk.

  • Tegelnummer, Ons Heem. Tweemaandelijks tijdschrift van het verbond voor heemkunde, 1961. JG.XV, 5-6 * blz. 137- 224.
  • Tegelnummer, driemaandelijks tijdschrift van de kring voor heemkunde voor Poperinge en omliggende gemeenten “Aan de Schreve”, 6e Jg. 1976. Willy Tillie, Paul De Knock en Ernest Demeyerer. – 87 blz.
  • Driemaandelijks tijdschrift van de kring voor heemkunde voor Poperinge en omliggende gemeenten “Aan de Schreve”, 13e Jg. 1983. Willy Tillie. – 55 blz.
  • Poperinge Ondersteboven – tentoonstelling van archeologische vondsten. – 1990
Did you find apk for android? You can find new Free Android Games and apps.